Categorie archief: Nederlands Dagblad

Gewoon is het nieuwe bijzonder

‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ is een uitspraak die ik vroeger nogal eens te horen kreeg. Hoewel ik niet meer precies weet waarom dat tegen me werd gezegd, vermoed ik dat het iets te maken had met mijn zucht naar nieuw, spannend, uitdagend. Gewoon is maar saai.

In de jeugdzorg is de laatste jaren een beweging op gang gekomen om kinderen die niet meer thuis kunnen wonen, zo snel mogelijk uit de woon- en behandelgroepen te halen en door te plaatsen naar een gezin. Een gewoon gezin met gewone mensen. Gedreven door de overtuiging dat er kracht schuilt in het gewone, zie je pleegzorgorganisaties adverteren met banners langs schoolpleinen vol leuzen als: ‘Dinand (6) zoekt een pleegouder die na schooltijd bij dit hek op hem wil wachten. Kijk op supergewonemensengezocht.nl’.

Maar hoe gewoon is het eigenlijk nog dat ouders hun kind bij het schoolhek opwachten? Zeker nu veel scholen overgaan naar een continurooster, is dat organisatorisch al een baan op zichzelf. Voor veel ouders geldt dat school, kinderopvang en sportclub het grootste deel van de dag voor hun kind zorgen, en er slechts een paar momenten van de dag overblijven voor thuis. Wat doorgaans niet de gezelligste uren van de dag zijn. Met een ochtendhumeur bij het ontbijt en het ‘dooreten-want-ik-ben-moe’-gezicht bij het avondeten.
Toch geven misschien juist die momenten nu precies het gewone aan. Dat ouders gewone mensen zijn, die niet altijd pedagogisch volkomen verantwoord reageren, die last kunnen hebben van een chagrijnige bui en dat thuis laten zien. Met kinderen die bij het eten onaangepast zitten te smakken en hun zus onder de tafel een schop verkopen. Heel gewoon.

vier kinderen

Om op die pleegzorgslogan terug te komen: wat is dan precies een supergewoon gezin? Met een vader en een moeder? Met enkel biologische kinderen? Vorig jaar stelde ik me tijdens een scholingsbijeenkomst voor aan een groep onbekende onderwijscollega’s. Toen ik desgevraagd vertelde dat ik vier kinderen heb, volgde de vraag: ‘Allemaal van dezelfde man?’ Ze vielen nog net niet van hun stoel toen ik bevestigend antwoordde. Kennelijk hadden wij een nogal uiteenlopend beeld van ‘gewoon’. Zelf groeide ik in de jaren tachtig op in een samengesteld gezin en ik heb dat juist als ongewoon ervaren. Omdat het toen nog uitzonderlijk was.
Dat is het nu niet meer. Kinderen worden fragmentarisch opgevoed door allerlei instellingen: school, sport, muziek, BSO, oppas en in veel echtscheidingsgevallen ook nog door een stiefouder. Wat is dan gewoon?
In het gewone leven ben je als kind zo thuis dat je chagrijnige ouders meemaakt, dat je een scheet laat aan tafel of in je blootje door de gangen rent. Dat is gewoon, dat is veilig, dat is thuis. Daar waar je fouten maakt en jezelf kunt zijn. De oefenplaats voor het leven daarbuiten. Het zijn dus niet alleen de kinderen die niet meer thuis kunnen wonen die dat gewone leven moeten ontberen.
De jeugdzorg is overigens niet de enige plek waar de roep naar het gewone klinkt. In het onderwijs is alles zo tot achter de komma gedifferentieerd geraakt, dat er boeken verschijnen met titels als: En wat als we nou weer eens GEWOON gingen lesgeven?

vloertje leggen
Nu wij gezinshuis zijn, leef ik opnieuw in een samengesteld gezin, met alle sores die daarbij komen kijken. Dat is natuurlijk niet heel gewoon. Dat is keihard werken voor allen die daar deel van zijn. Het hechten van de pleegkinderen in ons gezin stimuleren we door permanente aanwezigheid van minstens een van beide gezinshuisouders. Door structuur, voorspelbaarheid en presentie hopen we stukje bij beetje het vertrouwen te winnen en een vloertje te leggen onder hun verscheurde bestaan. Het is meebewegen met de behoeften van de kinderen. Zoals je dat doet bij een pasgeboren baby. Gewoon zijn. Om hen bij ons uiteindelijk zichzelf te laten vinden, zonder dat de rest van het gezin zichzelf verliest.
Gewoon is het nieuwe bijzonder. Dus doe maar gewoon, dat is echt gek genoeg.

©Nederlands Dagblad

Deze column verscheen in het ND van maandag 25 maart 2019
Anita Zeldenrust- van de Kuilen

Zin en onzin van straffen

Onze brievenbus werd de afgelopen weken driemaal gevuld met post uit Duitsland. Het was ons gelukt om tijdens een vakantieverblijf van een week maar liefst drie keer een bekeuring te scoren, en ja, alle drie ook nog eens op hetzelfde traject. We nemen ons verlies; we reden daar inderdaad te hard en ja, die ezel en die steen, die nemen we ter harte. Gelukkig zijn de Duitse tarieven aanzienlijk vriendelijker dan de Nederlandse, dus de financiële schade is te overzien. Waar we hartelijk om hebben gelachen, is de manier waarop de Duitsers hun verkeersovertredingen communiceren. Naast de beschrijving van het vergrijp worden er twee frontale foto’s toegevoegd. Een van je nummerbord en een van het hoofd van de dader, die op dat moment achter het stuur zit. Mocht je jezelf niet herkennen op de foto, dan heb je het recht bezwaar te maken tegen de tenlastelegging.
Dat bezwaar was niet nodig. Dit waren onmiskenbaar onze hoofden. We stonden er beiden overigens niet echt florissant op; in de galerij der criminelen zouden we niet misstaan. Dat alleen al was reden genoeg om die boete zo snel mogelijk te betalen. Ik moet er toch niet aan denken dat deze chagrijnige versie van mezelf ooit in Opsporing verzocht wordt getoond.

geen gedragsverandering
Welk effect heeft een dergelijke straf nu eigenlijk op je gedrag? In mijn geval brengt het nauwelijks gedragsverandering teweeg, omdat ik niet overtuigd ben van de ernst van dit vergrijp. Het was maar een kleine geldboete; daar eet ik geen boterham minder om. Een zwaardere straf zou mij vooral boos hebben gemaakt. Op die Duitsers die op een weg waar je 70 mag rijden, een bord met 50 zetten als je een stadje nadert, en dan vervolgens pal na dat bord een flitspaal plaatsen. Je hebt nauwelijks tijd om je snelheid te minderen. Ik ben er vast van overtuigd dat geen enkel levend wezen hierdoor in gevaar is geweest. Er heeft bij mij dus geen morele verandering plaatsgevonden, want er is geen innerlijke overtuiging ontstaan dat de handeling gevaarlijk was. Dit zorgt er niet voor dat je je rijgedrag aanpast; het zorgt er misschien vooral voor dat je probeert onopgemerkt te blijven met je gedrag, om de straf te ontlopen. Dus dat je afremt op de plaats waar je een flitspaal vermoedt, om vervolgens het gaspedaal weer flink in te trappen.
Zo ontstaat een cultuur waarin het een deugd is elkaar te verklappen bij welke hectometerpaal de flitspalen staan, en waar zelfs nieuwsbulletins op de radio afsluiten met het prijsgeven van de flitslocaties. Het geeft het signaal af dat de wetgeving flauwekul is en je bedreven moet zien te worden in het ontlopen van de straf.

warme betrokkenheid
In de opvoeding van kinderen werkt dit eigenlijk precies hetzelfde. Als kinderen niet begrijpen waarom een regel wordt gehanteerd, of zelf het nut er niet van inzien, zullen ze zich enkel aan een regel houden uit angst voor de straf, óf vanwege een positieve relatie die ze met de regelgever hebben, waardoor ze de opvoeder niet willen teleurstellen. Maar zodra de opvoeder uit beeld is, verdwijnt de regel ook uit beeld. In beide gevallen wordt de regel niet geïnternaliseerd; er is geen innerlijke overtuiging gegroeid.
Wat werkt dan wel? Daar zijn al heel wat onderzoeken op losgelaten. Belangrijk blijkt dat kinderen schuldgevoel en empathie ontwikkelen voor de gevolgen van hun gedrag. En dat is voornamelijk een vrucht van warme betrokkenheid die opvoeders tonen, in combinatie met een heldere uitleg over het waarom van de regels. Dit wordt ook wel de autoritatieve benadering genoemd. Die geeft de meeste kans op een morele ontwikkeling waarbij regels vanwege intrinsieke motivatie worden nageleefd.
Of dat op Duitse Autobahnen ook gaat werken, betwijfel ik. Controle zonder warme betrokkenheid levert namelijk vooral weerstand op. Er zit niets anders op dan dus af en toe ook gewoon genoegen te nemen met ‘omdat ik het zeg’. Anders kost het je een vermogen aan boetes, of aan flitspaal­verklikkers.

©Nederlands Dagblad

Anita Zeldenrust-vd Kuilen, 25 feb 2019

 

Ik krijg toch altijd de schuld!

Wil jij te vertrouwen zijn? Met uitzondering van de doop-, belijdenis- en huwelijksbeloften kan ik me niet herinneren dat die vraag mij ooit gesteld is. Althans, niet in deze expliciete vorm. Toch stel ik hem zelf regelmatig. Het is een van de waardevolle tools uit de Kanjertraining (een basisschoolmethode voor het bevorderen van een positieve sfeer en onderling vertrouwen in de groep) die ik vanuit het onderwijs zo naar mijn gezinshuiskoffer heb overgeheveld. Deze week had ik hem direct nodig. Met de komst van een pleegkind in ons gezinshuis begint het aftasten van elkaars betrouwbaarheid. Ben jij echt een goede volwassene waarbij het veilig is? Doe jij wél wat je belooft? En andersom, richting het kind: als ik zeg dat je nog een kwartier mag lezen voor het slapengaan, doe je dat dan ook? Om op de eerste vraag terug te komen: ik heb zelden meegemaakt dat een kind daarop een ontkennend antwoord geeft. Zonder nou direct de erfzonde om zeep te helpen, merk ik dat kinderen in principe gewoon betrouwbaar willen zijn. Het valt mij vaak op dat juist volwassenen dat niet gemakkelijk aannemen. En een kind voelt dat haarfijn aan. In gesprekken met kinderen waarvan de relatie met de opvoeder of leerkracht verstoord is, klinkt vaak de verzuchting: ‘ik krijg toch altijd de schuld’ of ‘ik kan ook nooit iets goed doen’. Dan is het een flinke uitdaging om beide partijen over te halen weer te geloven in de goede bedoelingen van de ander.

muur opgebouwd
Een ander kunnen vertrouwen zegt veel over jezelf. Soms is er zo veel misgegaan in het leven van een kind dat het de buitenwereld alleen nog maar met argwaan tegemoet kan treden. Als vertrouwen gruwelijk is beschaamd, kijk je de volgende keer wel uit. Zo ontstaat er steen voor steen een muur rondom kwetsbare harten die vaak standhoudt tot ver in de volwassenheid. Achterdocht of agressie vormt het cement om de muur een leven lang staande te houden.
Hoewel ik rondom vertrouwen zelf ook nogal wat stenen had gestapeld, heb ik me als opvoeder voorgenomen de ander te vertrouwen tót daarvoor geen enkele reden meer overblijft. In de praktijk blijkt dat natuurlijk niet zo eenvoudig, want iemand vertrouwen is geen multi-inzetbaar trucje. Het is behalve een wilsbesluit ook het leggen van je eigen houvast in de handen van de ander. Toch zijn we het avontuur met onze nieuwe gezinshuisbewoners vertrouwensvol begonnen. Een eerste uitdaging was het mobielgebruik. Komend vanuit een strak regime van twee keer per dag een half uurtje schermtijd en geen mobiel mee bij het slapengaan, werd de veronderstelde gezinshuisvrijheid geroken. Nieuwe ronde, nieuwe kansen!

dé vraag
Wij hadden nog niets over gewenst mobielgebruik gezegd, dus het toestel ging de eerste avond gezellig mee naar bed. Voor ons direct een mooie aanleiding om in gesprek te gaan, de volgende dag. Op mijn vraag waar de mobiel voor nodig is als je moet slapen, was het antwoord: als klok en als wekker. Klinkt aannemelijk. De stemmetjes in mijn hoofd die beweerden wat er allemaal nog meer in bed met mobieltjes gedaan kan worden, legde ik resoluut het zwijgen op. Ik besloot dé vraag te stellen: Wil je iemand zijn die te vertrouwen is? Dat wilde ze. Later in de week kwam ze er zelf op terug en vroeg mij: ‘Vind je dat ik te vertrouwen was met mijn mobiel?’ Ik was onder de indruk van deze prachtige vraag naar feedback.

Er is de afgelopen dagen veel gesproken over het filmpje van de zware mishandeling van een jongen door een groep tieners in Spijkenisse. De volkswoede richting de daders is niet mals. De situatie deed me onwillekeurig denken aan het verhaal van Zachëus de tollenaar. Met dit verschil dat hij zijn adres liever niet over de daken tweette, maar zich bewust gedeisd hield in zijn boom. De verrassende keuze van Jezus om tegen alle boosheid en oordeel in uitgerekend met deze man te gaan eten, zorgde voor een onverwachte en positieve wending in zijn gedrag.
Over vertrouwen gesproken.

Verhuizen

IMG-4573Het zijn hectische maanden. Sinds mijn man en ik het roer hebben omgegooid, is ons leven in een versnelling gekomen die we zelf nauwelijks bij kunnen houden. Dat er nu een deadline voor een column is, dwingt mij om even een pas op de plaats te maken waar ik anders ongemerkt aan voorbij zou zijn gehold. Begin 2018 hebben wij de knoop doorgehakt: we zeggen beiden onze baan op en gaan samen een gezinshuis beginnen. Geraakt door de nood van zo veel uit huis geplaatste kinderen en passend bij de levensfase waarin wij met onze eigen kinderen zijn, kwam dit als een antwoord op een nog ongebeden gebed.

Nu is het bijna december en vind ik mezelf terug in een kamer vol verhuisdozen. Nog een week en we wonen hier niet meer. Tien jaar lang was dit ons thuis. De kinderen werden er groot, namen er hun eerste vriendjes mee. We hebben er gelachen, gehuild, gestreden en bemind. Terwijl de dozen worden gevuld met tastbare spullen stop ik al die ontastbare herinneringen er in gedachten bij in.

verdriet van een kind

Ondertussen loopt onze jongste binnen en kijkt niet blij. Het vooruitzicht van verhuizen maakt hem verdrietig en ik merk dat het me in verwarring brengt. Dit was toch het idee wat we allemaal omarmden? Waar we samen als gezin voor willen gaan? Voor ik het in de gaten heb, zeg ik woorden als ‘ach joh, het is maar gewoon een huis met vier muren, de mensen die er wonen maken dat je je thuis voelt en die gaan allemaal mee naar het nieuwe huis.’

Ik kan mezelf even later wel voor m’n kop slaan. Waarom maak ik deze foute opmerking? Hoe vaak heb ik in mijn werk leerkrachten en ouders juist daarvoor gewaarschuwd: bagatelliseer het verdriet van een kind niet, kom niet gelijk met een oplossing.

Eigenlijk weet ik wel waarom ik dit zei. Ik wil gewoon niet dat het waar is. Deze verhuizing moet vooral positief en fijn zijn. Maar ik reageerde te gehaast, ik wilde een snelle oplossing en dat we daarna dan gewoon weer allemaal gelukkig zijn. Ik onderschatte de diepte van de wortels waarmee hij aan deze plek is vastgegroeid.

Verhuizen met een gezin doe je niet even tussendoor. Voor kinderen is het zeer ingrijpend. Met name als de verhuizing het gevolg is van een heftige gebeurtenis als een echtscheiding, een overlijden of bijvoorbeeld schulden. Juist in de hectiek ervan met al je eigen emoties is het voor ouder(s) een zware opgave om goed op je kinderen te blijven letten, hen mee te nemen in het proces en hen even de ruimte te geven als ze er nog niet aan toe zijn.

vruchtbare grond

In gedachten zie ik de kinderen die wij straks in ons gezinshuis hopen op te vangen. Ze hebben voor ons nu nog geen gezicht, maar één ding is al duidelijk: ze zullen moeten verhuizen om bij ons te komen wonen. Een aantal van hen is al vaker verhuisd dan ze jarig zijn geweest. Met alles wat deze kinderen al te verduren hebben gehad, is het maar de vraag of er van hun wortels nog ergens iets terug te vinden is. Onze uitdaging wordt het bieden van vruchtbare grond met alle ruimte om wortel te schieten.

Inmiddels ligt de zoon in bed als ik de laatste doos van deze kamer heb gevuld. Wat nog rest, is een stoel en een tv. Van een paar dozen maak ik een tafeltje waar ik de tv op zet. De PlayStation plaats ik ernaast en alle stekkers steek ik er weer in. Neem nog maar even je tijd mijn zoon, want ik weet dat deze plek je dierbaar is. Je wortels zijn al blootgelegd en het is onvermijdelijk dat ze de grond hier gaan verlaten. Mag ik je dan helpen zoeken naar een geschikt stukje grond om opnieuw te wortelen? Ik beloof je dat ik geen snelle oplossingen meer zal roepen. Behalve dan deze ene tip: zoek het aan de waterkant, daar waar de grond het vruchtbaarst is.

©Nederlands Dagblad, 26 november ’18
Anita Zeldenrust-vd Kuilen

 

Toetscultuur schept vertekend beeld

testsHet is een wonder dat ik ooit mijn rijbewijs heb gehaald. Ik kon prima rijden hoor, maar bij het examen leek het of ik veranderde in een seniele versie van mezelf. In een vlaag van verstandsverbijstering wist ik het gaspedaal niet meer van de koppeling te onderscheiden en zette ik de ruitenwissers aan als ik rechtsaf wilde slaan. Vijf keer zakte ik. Het leek een kansloze missie. Met de moed der wanhoop had ik mijn kans op dat roze papiertje al bijna aan de wilgen gehangen. Examinatoren waren in mijn hoofd uitgegroeid tot enge sadistische mannetjes. Die ’s avonds boven hun bed een lijstje bijhielden van alle arme leerlingen die ze die dag weer € 250 hadden weten af te troggelen voor een herexamen.

Maar er kwam een uitweg: vanwege mijn indrukwekkende verzameling mislukkingen bleek ik in aanmerking te komen voor een aangepast examen. Dat begon met een kopje thee en een geanimeerd gesprek met een soort engel, waardoor ik bijna vergat waarvoor ik gekomen was. Haast ongemerkt belandde ik achter het stuur en na drie kwartier nam ik verbluft de felicitaties in ontvangst. Inmiddels ben ik bijna twintig no claim-jaren verder.

Cito-terreur

Het is nu eind januari en dat betekent oogsttijd in de basisschool. Tussen de griepgolven door storten de kinderen zich op hun Cito-toetsen. De een met groot gemak en zeeën van tijd, de ander met het zelfvertrouwen van iemand die al vijf keer voor z’n rijexamen is gezakt. Zo’n leerling die zich tijdens de lessen prima kan redden, maar zodra het woord Cito klinkt, de stress al in de ledematen voelt schieten.

Het blijft toch een merkwaardig fenomeen, die toetscultuur. Waar we met passend onderwijs ons best doen om aan te sluiten bij de onderwijsbehoeften van ieder kind, trekken we wel twee keer per jaar een en dezelfde lat uit de kast om alle kinderen langs te leggen. Van ieder kind wordt hetzelfde verwacht. Alsof je tegen een dove zegt: ‘Zo, vandaag gaan we jouw gehoor eens vergelijken met dat van alle horende mensen. Laat maar eens zien wat je kunt!’ Ik voel me nogal bezwaard dat we bepaalde kinderen vermoeien met de Cito-terreur, terwijl we van tevoren de uitslag al weten. De waarde van Cito-toetsen in het onderwijs is de laatste jaren zwaar overschat. Door overheden, besturen en daardoor ook door leerkrachten, ouders en uiteindelijk het kind.

vertekend beeld
Als er veel van een score afhangt, ontstaat er stress. Het ene kind presteert extra goed onder druk, de ander klapt volledig dicht. In beide gevallen zorgt het voor een vertekend beeld van de werkelijkheid. Daarnaast werkt het oneigenlijk gebruik van een toets in de hand. Scholen die uitgebreid gaan oefenen voor een Cito-toets met allerhande oefenprogramma’s en vergelijkbare (of dezelfde!) toetsopgaven. Ouders die hun kind naar peperdure Cito-trainingen sturen. En ja hoor, met het gewenste resultaat: de Cito-scores stijgen. Gevolg: het landelijk gemiddelde wordt hoger en daardoor wordt de normering bijgesteld. Het jaar daarna moet aan nog hogere eisen worden voldaan om goed te scoren. En zo werken we ook nog eens kansongelijkheid in de hand. Ouders met geld en aandacht voor een Cito-training krijgen hun kind op een hogere score, en dus op een hoger niveau in het (voortgezet) onderwijs. Er bestaan daadwerkelijk scholen die kinderen bij voorbaat weigeren als ze onder de 535 scoren op hun eindCito. Wat een armzaligheid!

Gelukkig lijkt het er op dat er iets aan het veranderen is. Er gaan steeds meer stemmen op om te stoppen met het toetsen van kleuters. De inspectie richt zich alleen nog op de eindtoets. Daarnaast is de eindtoets sinds 2016 verplaatst naar april, waardoor de scores nauwelijks van invloed zijn op het schooladvies.

Vorige week liep ik het lokaal van mijn collega binnen en ik zag de zorgen op haar gezicht. ‘Mijn leerling heeft maar één antwoord goed van z’n hele rekentoets. Hoe kan dat nou? Zijn rekenwerk gaat de laatste tijd juist zo goed!’ Ik weet het nog niet precies, maar het komt me bekend voor. Eerst maar eens een kopje thee met hem drinken, denk ik.

©Nederlands Dagblad maandag 29 jan ’18

Anita Zeldenrust- vd Kuilen  

Mijn columns verschijnen iedere vierde maandag van de maand in het Nederlands Dagblad